Ons Kenniscentrum
In ons kenniscentrum vindt u toegankelijke informatie over antisemitisme en het Jodendom, perfect om snel iets op te zoeken of uw kennis op te frissen. Wilt u zich verder verdiepen? Dan verwijzen we u onderaan de pagina via zorgvuldig geselecteerde links naar betrouwbare externe bronnen en onderzoeken.
Verdiepende websites
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Suspendisse varius enim in eros elementum tristique. Duis cursus, mi quis viverra ornare, eros dolor interdum nulla, ut commodo diam libero vitae erat. Aenean faucibus nibh et justo cursus id rutrum lorem imperdiet. Nunc ut sem vitae risus tristique posuere.
Antisemitisme na 7 oktober
Op 7 oktober 2023 vond de dodelijkste aanval op Joden sinds de Holocaust plaats. Hamas en andere Palestijnse gewapende groeperingen staken vanuit Gaza de grens met Israel over en vermoordden meer dan 1.200 mensen, onder wie ouderen, kinderen en baby's. Veel slachtoffers werden in hun eigen huizen gedood. Daarnaast werden ongeveer 240 mensen als gijzelaar meegenomen naar Gaza. De aanval vormde de directe aanleiding voor de oorlog tussen Hamas en Israel.
De gebeurtenissen van 7 oktober en de daaropvolgende oorlog werden wereldwijd op de voet gevolgd. In veel landen vonden grote demonstraties plaats tegen de oorlog in Gaza en tegen het beleid van de Israelische regering. Sympathie voor het leed van de Palestijnse bevolking, kritiek op het beleid van de Israelische regering of steun voor een Palestijnse staat naast Israel is op zichzelf niet antisemitisch.
Tegelijkertijd nam na 7 oktober 2023 het aantal antisemitische incidenten in veel Europese landen sterk toe. Een stijging van antisemitisme na conflicten in het Midden-Oosten is geen nieuw verschijnsel, maar de omvang van de toename na de aanval van 7 oktober en de daaropvolgende oorlog was uitzonderlijk groot. Deze toename houdt in veel landen nog steeds aan.
Een mogelijke verklaring is de rol van sociale media. Beelden, video's en berichten over de oorlog verspreiden zich razendsnel en gaan vaak gepaard met desinformatie, complottheorieën en sterk polariserende boodschappen. Daardoor worden emoties wereldwijd versterkt en verspreiden ook antisemitische denkbeelden zich sneller.
Wat online gebeurt, heeft bovendien steeds vaker gevolgen in de fysieke wereld. Joden worden als groep verantwoordelijk gehouden voor de daden van de Israelische regering. Ook lijkt alles wat met Joden te maken heeft, waaronder de Holocaust, soms te worden gebagatelliseerd of ondergeschikt gemaakt aan de actuele oorlog in Gaza.
Dat is een zorgwekkende ontwikkeling. Herkenbaar Joodse mensen, bijvoorbeeld doordat zij een keppel dragen of een Davidster om hun nek hebben, worden op straat soms aangesproken of nageroepen met leuzen als ‘Free Palestine’. Niet vanwege iets wat zij persoonlijk hebben gedaan, maar uitsluitend omdat zij als Joods worden herkend. Daarmee worden Joden als collectief verantwoordelijk gehouden voor het handelen van de staat Israel, terwijl zij daar als individu geen verantwoordelijkheid voor dragen.
Raciaal antisemitisme: inferieur én almachtig
Het raciale antisemitisme kende een opvallende tegenstelling. Aan de ene kant werden Joden beschreven als een zogenaamd minderwaardig of gedegenereerd ras. Aan de andere kant beweerden antisemieten dat juist diezelfde Joden achter de schermen over enorme macht beschikten.
Volgens deze theorieën zouden Joden banken, kranten, regeringen en de internationale economie beheersen. Ook zouden zij deel uitmaken van een geheim netwerk dat uit was op wereldheerschappij. Juist die vermeende verborgen macht maakte hen volgens antisemieten tot een bedreiging die bestreden moest worden.
Deze paradox vormt tot op de dag van vandaag een belangrijk kenmerk van antisemitische complottheorieën.
Ommekeer: raciaal antisemitisme
Eeuwenlang werd antisemitisme in Europa vooral religieus gelegitimeerd. Joden werden beschuldigd van de dood van Jezus Christus, gezien als vijanden van het christendom en verantwoordelijk gehouden voor allerlei rampen en tegenslagen. Hoewel deze beschuldigingen vaak ernstige gevolgen hadden, bestond er in theorie een uitweg: een Jood kon zich bekeren tot het christendom. In de praktijk werden bekeerde Joden lang niet altijd geaccepteerd, zoals tijdens de Spaanse Inquisitie bleek, maar religie bleef lange tijd het belangrijkste onderscheid.
In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam daar een nieuwe vorm van antisemitisme bij: het raciale antisemitisme. Religieuze vooroordelen verdwenen niet, maar werden aangevuld met het idee dat Joden een afzonderlijk ras zouden vormen met onveranderlijke eigenschappen. Bekering maakte volgens deze theorieën geen verschil meer. Iemand bleef Joods, ongeacht haar of zijn geloof, gedrag of levenswijze. Daarmee veranderde ook het antisemitisme zelf. Het richtte zich niet langer alleen op wat Joden geloofden, maar op wie zij volgens deze theorieën van nature zouden zíjn.
De opkomst van raciaal antisemitisme hing samen met de opkomst en populariteit van rassentheorieën in Europa en Noord-Amerika. In de negentiende eeuw probeerden wetenschappers, artsen en denkers de mensheid onder te verdelen in verschillende ‘rassen’. Aan deze groepen werden vaste eigenschappen toegeschreven. Sommige rassen zouden intelligent, beschaafd en geschikt zijn om te regeren, terwijl andere als minder ontwikkeld of inferieur werden beschouwd.
Deze ideeën werden gebruikt om kolonialisme, slavernij en discriminatie van mensen van kleur te rechtvaardigen. Ook Joden werden steeds vaker beschreven als een afzonderlijk ras. Antisemitische auteurs beweerden dat Joden van nature bepaalde negatieve, gedegenereerde eigenschappen zouden bezitten en dat deze eigenschappen van generatie op generatie werden doorgegeven.
Vanaf het einde van de negentiende eeuw kregen deze rassentheorieën extra invloed door het sociaal darwinisme en de eugenetica. Aanhangers van deze ideeën beweerden dat de menselijke samenleving, net als de natuur, werd bepaald door een strijd tussen rassen. Dergelijke pseudowetenschappelijke opvattingen droegen eraan bij dat antisemitisme steeds radicalere vormen aannam en vormden later een belangrijke inspiratiebron voor de rassenideologie van het nazisme.
De drang om mensen in biologische categorieën onder te brengen beperkte zich niet tot ras. Ook ideeën over seksualiteit veranderden in de negentiende eeuw ingrijpend. Waar seksuele relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht eeuwenlang vooral werden gezien als zondige handelingen, ontstond nu het idee dat er een afzonderlijk type mens bestond: de homoseksueel. De homoseksuele identiteit werd daarmee in feite een negentiende-eeuwse uitvinding. Op vergelijkbare wijze werden ook Joden steeds vaker beschreven als leden van een aparte biologische groep. Niet langer stond centraal wat iemand geloofde of deed, maar wat iemand volgens deze theorieën van nature was.
Veel van deze theorieën presenteerden zich als wetenschap, maar waren in werkelijkheid pseudowetenschappelijk. De conclusies stonden vaak al vast voordat er onderzoek werd gedaan. Toch kregen deze ideeën veel invloed in een tijd waarin wetenschap steeds belangrijker werd en veel mensen geloofden dat menselijke verschillen biologisch konden worden verklaard.
De IHRA-werkdefinitie van antisemitisme
Om overheden, politie, justitie en andere organisaties te ondersteunen bij het herkennen en monitoren van antisemitisme, stelde de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA) in 2016 een werkdefinitie van antisemitisme op. Nederland en veel andere landen hebben deze werkdefinitie onderschreven. De definitie is bedoeld als hulpmiddel om antisemitisme beter te herkennen en te beoordelen in uiteenlopende situaties.
De IHRA definieert antisemitisme als:
‘Antisemitisme is een bepaald beeld van Joden, dat zich kan uiten als haat tegen Joden. Retorische en fysieke uitingen van antisemitisme worden gericht tegen Joden of niet-Joden en/of hun bezittingen, tegen instellingen van de Joodse gemeenschap en religieuze voorzieningen.’
De IHRA noemt daarnaast een aantal voorbeelden van gedragingen en uitingen die, afhankelijk van de context, antisemitisch kunnen zijn. Enkele daarvan zijn:
- het oproepen tot, ondersteunen of rechtvaardigen van het vermoorden of mishandelen van Joden in naam van een radicale ideologie of extremistische religieuze overtuiging;
- het Joodse volk als geheel verantwoordelijk houden voor daden die zijn gepleegd door een individuele Jood, een groep Joden of zelfs door niet-Joden;
- het verspreiden van leugenachtige, ontmenselijkende, demoniserende of stereotyperende beelden over Joden, zoals de mythe van een wereldwijde Joodse samenzwering of de bewering dat Joden als collectief de media, de economie, regeringen of andere maatschappelijke instellingen beheersen;
- de vermenging van zionisme en antisemitische complottheorieën;
- het in twijfel trekken van de loyaliteit van Joodse burgers door te stellen dat zij zich meer verbonden zouden voelen met de staat Israel of met Joden wereldwijd dan met hun eigen land;
- het ontkennen, bagatelliseren of opzettelijk verdraaien van de Holocaust; het beschuldigen van het Joodse volk of de staat Israel van het verzinnen of overdrijven van de Holocaust.
De voorbeelden van de IHRA laten zien dat antisemitisme zich op verschillende manieren kan uiten. Het gaat niet alleen om openlijke haat of geweld, maar ook om complottheorieën, stereotypen, ontmenselijking en het verantwoordelijk houden van Joden als groep voor maatschappelijke of politieke ontwikkelingen.
Een korte geschiedenis van antisemitisme
Antisemitisme is een eeuwenoud verschijnsel. Al in de oudheid vielen Joden op doordat zij in religieus en cultureel opzicht afweken van de volken om hen heen. Hun monotheïstische geloof - het geloof in één God - onderscheidde hen van de polytheïstische samenlevingen om hen heen. Daarnaast vormden Joodse gemeenschappen vaak een eigen religieuze en culturele gemeenschap met eigen wetten, tradities en gebruiken. Daardoor werden zij door anderen regelmatig als een aparte groep gezien.
Antisemitisme heeft door de eeuwen heen verschillende vormen aangenomen. Een van de eerste goed gedocumenteerde uitbarstingen van grootschalig geweld tegen Joden vond plaats in 38 na Christus in Alexandrië, destijds een stad onder Romeins bestuur in Egypte. Joden werden op straat aangevallen, synagogen werden vernield en in brand gestoken en velen werden gedwongen zich terug te trekken in afgebakende delen van de stad. Alexandrië was op dat moment al eeuwenlang een belangrijk centrum van het Joodse leven.
Ook in de eeuwen daarna bleven Joodse gemeenschappen regelmatig het doelwit van vervolging en geweld. In de middeleeuwen werden Joden in Europa vaak beschuldigd van complotten, religieuze misdaden of economische uitbuiting. Zo circuleerden hardnekkige mythes dat Joden christelijke kinderen zouden vermoorden voor religieuze rituelen. Tijdens de Zwarte Dood in de veertiende eeuw, toen een groot deel van de Europese bevolking stierf aan de pest, werden Joden in verschillende steden er ten onrechte van beschuldigd waterbronnen te hebben vergiftigd. Deze beschuldigingen leidden op veel plaatsen tot pogroms, massamoorden en verdrijvingen.
Daarnaast werden Joden in veel gebieden juridisch en maatschappelijk uitgesloten. Zij mochten vaak geen lid worden van gilden, geen land bezitten en werden in sommige steden verplicht om in aparte wijken te wonen, die later bekend werden als getto's. Omdat veel andere beroepen voor hen waren afgesloten, kwamen sommige Joden terecht in beroepen zoals handel, geldhandel of kredietverstrekking. Dit werd vervolgens weer gebruikt om het stereotype te versterken dat Joden vooral geïnteresseerd zouden zijn in geld en macht.
Door eeuwen van discriminatie, uitsluiting en geweld ontstonden hardnekkige negatieve beelden en stereotypen over Joden. Deze vooroordelen bleven generaties lang bestaan en vormden een belangrijke voedingsbodem voor het moderne antisemitisme. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bereikte dit onder het naziregime van Adolf Hitler zijn meest extreme vorm. Tijdens de Holocaust werden ongeveer zes miljoen Joden vermoord.
Deicide- Geweld, kruistochten en gedwongen bekeringen
De beschuldiging dat Joden verantwoordelijk zouden zijn voor de dood van Jezus Christus werd in de middeleeuwen door steeds meer mensen als waarheid aangenomen.
Toen paus Urbanus II in 1095 opriep tot de Eerste Kruistocht naar Jeruzalem, vonden in 1096 in verschillende Europese steden gewelddadige aanvallen plaats op Joodse gemeenschappen. Kruisvaarders en lokale groepen zagen Joden als religieuze tegenstanders en vielen hen aan. Duizenden Joden werden vermoord.
Ook openbare religieuze opvoeringen van de kruisiging van Jezus, bekend als passiespelen, droegen soms bij aan negatieve beeldvorming over Joden. In deze voorstellingen werd vaak verwezen naar passages uit het Evangelie volgens Matteüs, waaronder de tekst die later bekend werd als de ‘bloedvloek’. Daarin wordt beschreven dat een groep aanwezigen bij de kruisiging de verantwoordelijkheid voor de dood van Jezus op zich zou nemen.
Wanneer Joden werden voorgesteld als mensen die verantwoordelijk zouden zijn voor de dood van God, konden vijandige houdingen en geweld gemakkelijker religieus worden gerechtvaardigd. Dit droeg bij aan vervolgingen en massamoorden tegen Joodse gemeenschappen in Europa en het Midden-Oosten.
In verschillende Europese gebieden werden Joden verplicht herkenbare kleding te dragen, zoals speciale hoeden of insignes. Deze maatregelen waren bedoeld om hen zichtbaar als aparte groep te markeren en hadden vaak een vernederende werking. Ook kwamen andere vormen van publieke vernedering voor, zoals het beschimpen van Joden, en het vernietigen van synagogen en religieuze teksten.
Veel Joden werden onder druk of dwang tot het christendom bekeerd. In Spanje en Portugal werden deze bekeerlingen, de zogenoemde conversos, later vaak met wantrouwen bekeken. De Spaanse Inquisitie onderzocht hen op verdenking van het in het geheim blijven uitoefenen van het jodendom. Verdachten konden te maken krijgen met gevangenschap, marteling, verbanning of executie.
In 1492 werden Joden uit Spanje verdreven. Portugal volgde enkele jaren later met gedwongen bekeringen en maatregelen tegen de Joodse bevolking.
Deicide- Van beschuldiging naar wettelijke uitsluiting
De gevolgen van de beschuldiging van godsmoord waren groot. Nadat de Romeinse keizer Constantijn zich in de vierde eeuw tot het christendom had bekeerd, kreeg het christendom steeds meer invloed binnen het Romeinse Rijk. Onder Constantijn en zijn opvolgers werden verschillende maatregelen genomen die de positie van Joden beperkten.
Zo mochten Joden zich na de Romeinse verwoesting van Jeruzalem niet vrij vestigen in de stad, met uitzondering van bepaalde momenten, zoals de herdenking van de verwoesting van de Tempel. Hierdoor werden zij herinnerd aan hun ondergeschikte positie binnen het christelijk geworden Romeinse Rijk.
De Code van Justinianus, opgesteld tussen 529 en 534, legde verschillende wetten vast die de rechten van religieuze minderheden beperkten. Joden kregen te maken met beperkingen, zoals regels rond het bouwen van synagogen, huwelijken met christenen en het bekleden van bepaalde openbare functies.
In Spanje nam in 694 het wantrouwen tegenover de loyaliteit van Joden verder toe. Joodse kinderen werden bij hun ouders weggehaald en ondergebracht in christelijke huishoudens. Ook sommige kerkelijke leiders gebruikten steeds vijandigere taal tegenover Joden. Zo beschreef aartsbisschop Julianus van Toledo Joden als een ‘kankergezwel’ en noemde bisschop Ildefonsus van Toledo hen ‘wormen van ongeloof’. Zulke uitspraken droegen bij aan de verspreiding van anti-Joodse denkbeelden binnen de christelijke samenleving.
Wat zijn de kosten van een CMS?
Sed ut perspiciatis unde omnis iste natus error sit voluptatem accusantium doloremque laudantium, totam rem aperiam, eaque ipsa quae ab illo inventore veritatis et quasi architecto beatae vitae dicta sunt explicabo. Nemo enim ipsam voluptatem quia voluptas sit aspernatur aut odit aut fugit, sed quia consequuntur magni dolores eos qui ratione voluptatem sequi nesciunt. Neque porro quisquam est, qui dolorem ipsum quia dolor sit amet, consectetur, adipisci velit, sed quia non numquam eius modi tempora incidunt ut labore et dolore magnam aliquam quaerat voluptatem. Ut enim ad minima veniam, quis nostrum exercitationem ullam corporis suscipit laboriosam, nisi ut aliquid ex ea commodi consequatur? Quis autem vel eum iure reprehenderit qui in ea voluptate velit esse quam nihil molestiae consequatur, vel illum qui dolorem eum fugiat quo voluptas nulla pariatur?